Wees de lamp

‘Be the change you wish to see in this world’, riep Gandhi destijds, geweldloos maar doorzettend. Het is zoeken voor veel mensen in deze tijd: naar wat licht in de duisternis, naar wat hoop in bange dagen, wat rust ook in roerige momenten. Zelden maakten we zo’n uitvergrote verdeeldheid mee, in zienswijzen, in overleving, in volgen en leiden. Waar diepe veranderingen zich aandienen is de weerstand ertegen vaak nog veel groter.



Het is de tegenwind die de vlieger doet stijgen, zeggen de Chinezen, maar willen we wel vliegen? Willen we wel de vertrouwde grond verlaten? Willen we boven onszelf uitstijgen? Wie niet beweegt voelt zijn kettingen niet. En één van die kettingen is de angst voor het donker. Het donker is zelden onze vriend. We schuwen hem, verbloemen hem, verdrukken hem, degraderen hem tot vijand, in onszelf, bij anderen, en ver daar ‘buiten’.


Vrienden zijn er om van te houden doch vijanden om van te leren, zeker als donkere crisiswolken licht en perspectief blijvend wegnemen. Misschien vraagt het ons wel om moediger lichtbundels, sterkere lampen te worden? Om de diepte van de afgrond te kunnen zien moet men namelijk een lamp hebben die sterk genoeg is om tot de bodem te schijnen.


Met andere woorden: mensen kunnen maar zoveel duisternis aanvaarden als ze licht hebben.


Mensen die de onmetelijke Liefde van God niet kennen of voelen of aanvaarden kunnen ook de onmetelijke slechtheid van satanisme niet accepteren. Mensen die de slechtheid kennen zonder God te aanvaarden gaan dood aan pessimisme. De twee zijn daarom over het algemeen in balans: mensen voor wie God niet bestaat of alleen iets heel abstract is, kunnen met satanisme niet overweg, en maken er ook iets abstracts van.


Het vergt een diepe identificatie met de onsterfelijke ziel om deze meest extreme realiteit van satanisme volledig te kunnen accepteren.

119 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven